Op een wijnetiket staan vaak afkortingen als AOC, AOP of IGP. Ze vertellen iets over de herkomst en de regels waaraan de wijn voldoet. Europa onderscheidt drie grote categorieën.
Kwaliteitswijn met beschermde oorsprongsbenaming (AOP/AOC)
Dit is de strengste categorie. In Frankrijk spreekt men van AOP (vroeger AOC), in Italië van DOC en DOCG, in Spanje van DO. De regels leggen onder meer vast:
- het precieze afgebakende gebied waar de druiven groeien;
- de toegelaten druivenrassen;
- de maximale opbrengst per hectare;
- de werkwijze in wijngaard en kelder.
Zo garandeert de benaming dat de wijn typisch is voor zijn herkomst. Denk aan een Saint-Émilion, een Chablis of een Barbera d’Asti.
Landwijn met beschermde geografische aanduiding (IGP)
De landwijn, in Frankrijk IGP of vroeger “vin de pays”, komt uit een ruimere streek en heeft soepelere regels: meer vrijheid in druivenrassen en werkwijze. Dat maakt ruimte voor creativiteit, en sommige landwijnen behoren tot de interessantste wijnen van hun streek. Een mooi voorbeeld is het IGP Pays d’Oc van Domaine Montlobre.
Wijn zonder geografische aanduiding
Dit is de vroegere “tafelwijn”, zoals Vin de France. De druiven mogen uit het hele land komen en de regels zijn het minst streng. Het etiket mag wel het druivenras en het oogstjaar vermelden.
Garandeert een benaming kwaliteit?
Een benaming garandeert vooral de herkomst en de regels, niet automatisch de smaak. Een goede wijnmaker maakt een uitstekende landwijn, en niet elke AOP-wijn is een topper. Daarom proeven wij elke wijn voor hij in ons gamma komt. Proef zelf mee in onze winkels.
