Wijnetiquette klinkt stijf, maar het gaat vooral om kleine gewoontes die ervoor zorgen dat elke wijn op zijn best geserveerd wordt en iedereen ervan geniet. Dit zijn de basisregels.
De juiste serveertemperatuur
De temperatuur bepaalt sterk hoe een wijn smaakt. Te warm en de alcohol overheerst; te koud en de aroma’s blijven verborgen.
- Bubbels: 6 à 8 °C
- Lichte, frisse witte wijn en rosé: 8 à 10 °C
- Volle witte wijn: 10 à 12 °C
- Lichte rode wijn: 13 à 15 °C
- Krachtige rode wijn: 16 à 18 °C
De fles openen
Snijd de capsule net onder de rand van de hals los, draai de kurkentrekker in het midden van de kurk en trek hem rustig en recht omhoog. Veeg de hals even af. Bubbels open je door de kurk vast te houden en de fles langzaam te draaien, zonder knal.
Hoeveel schenk je in?
Vul een glas tot ongeveer een derde, op het breedste punt van de kelk. Zo heeft de wijn ruimte om te ademen en kun je hem laten walsen. Bij bubbels schenk je in twee keer, zodat het schuim niet overloopt.
Het glas vasthouden
Houd een wijnglas vast aan de steel. Zo warmt de wijn niet op door je hand en blijft de kelk proper.
Aan tafel
- De gastheer of gastvrouw proeft eerst een klein beetje, om te controleren of de wijn in orde is, bijvoorbeeld niet met kurk.
- Daarna wordt de gasten ingeschonken, en ten slotte het eigen glas.
- Schenk bij voorkeur bij voordat een glas helemaal leeg is.
Op zoek naar de juiste glazen of een karaf? Ontdek onze wijnglazen en karaffen.
